schoolverlatersrapport-randstad-research

Vele tienduizenden schoolverlaters zitten op dit ogenblik in de transitiefase tussen school en werk. Algemeen wordt verwacht dat de doorstroom naar werk door COVID-19 een stuk moeilijker zal verlopen dan de voorbije jaren. Een analyse van de schoolverlatersstudies van de VDAB van de voorbije twee decennia door Randstad Research kan in deze wat extra inzichten opleveren. Het goede nieuws is dat de positie van schoolverlaters op de arbeidsmarkt voor het uitbreken van het coronavirus nooit beter was de voorbije decennia. Het minder goede nieuws is dat dit vooral komt door de gemiddeld hogere scholing van de schoolverlaters. Daar is de trend duidelijk positief. Bij de onderwijsvormen op secundair niveau zien we deze structurele verbetering meestal niet.
 

1. percentage werkzoekende schoolverlaters nooit zo laag

De positie van schoolverlaters bij de laatste meting is de beste 'sinds het begin van de waarnemingen' in 2001, en vermoedelijk sinds de jaren ‘70. Bij de allerlaatste metingen (2018 en 2019) bedroeg het percentage werkzoekenden 8.9%. Het allerlaagste cijfer in meerdere decennia. Tien jaar geleden (na de financiële crisis) bedroeg dit percentage nog 14.6%.


2. kloof tussen hooggeschoolde en vroegtijdige schoolverlaters

Dit relatief laag cijfer is echter vooral te wijten aan de gemiddeld hogere scholing van de schoolverlaters. Schoolverlaters uit het hoger onderwijs scoren niet alleen gemiddeld beter dan deze uit het secundair maar bij zowel professionele bachelors als bij masters is er duidelijk sprake van een geleidelijke verbetering de voorbije twee decennia. Beide onderwijsvormen haalden in 2019 hun beste score ooit met nauwelijks 3.1% werkloosheid. Deze verbetering zien we bij de meeste onderwijsvormen op secundair niveau niet. Bij de vroegtijdige schoolverlaters is de trend zelfs negatief.


3. vrouwelijke schoolverlaters sneller aan het werk

Vrouwen maken een vlottere overgang naar de arbeidsmarkt dan mannen. Dit is niet alleen te wijten aan de gemiddeld hogere scholing van vrouwen. Ook binnen elk onderwijsniveau scoren vrouwen beter dan mannen.


4. verder studeren loont (niet altijd)

Het imago van het ASO inzake arbeidsmarktkansen is te negatief. Het verschil inzake werkloosheid met TSO en BSO is over de jaren heen al bij al beperkt, tot soms onbestaande, zeker als we rekening houden dat het ASO geen 7de jaar kent. Bovendien komt de sterkte van het ASO pas later in de loopbaan tot uiting. Uit ander onderzoek blijkt dat schoolverlaters ASO later in de loopbaan gemakkelijker van baan wisselen dan schoolverlaters met een meer beroepsgerichte vorming.


5. arbeidsmarktimago ASO te negatief

Het imago van het ASO inzake arbeidsmarktkansen is te negatief. Het verschil inzake werkloosheid met TSO en BSO is over de jaren heen al bij al beperkt, tot soms onbestaande, zeker als we rekening houden dat het ASO geen 7de jaar kent. Bovendien komt de sterkte van het ASO pas later in de loopbaan tot uiting. Uit ander onderzoek blijkt dat schoolverlaters ASO later in de loopbaan gemakkelijker van baan wisselen dan schoolverlaters met een meer beroepsgerichte vorming.


6. corona vooral nadelig voor voor kortgeschoolden

De positie van kort- en ongeschoolden was reeds voor corona weinig rooskleurig. Ze maakten voor corona al tien keer meer kans op werkloosheid dan master of professioneel bachelor (resp. 30 en 3%). Zowel kort- als hooggeschoolden zagen na de financiële crisis (2008) de kans op werkloosheid met zo’n 50% stijgen. Bij kortgeschoolden (b.v. schoolverlaters deeltijds beroepsonderwijs) betekende dit wel een stijging van 26,5 naar 41.8%. Bij masters ging het over een stijging van 4.7 naar 7.1%. Ook nu verwachten we dat corona vooral zeer nadelig zal zijn voor de kortgeschoolden en gedeeltelijk voor de middengeschoolden. Voor de hooggeschoolden kan de schade al bij al nog meevallen.